donderdag 7 mei 2015

Sneeuwwoordenverhaal

apun (sneeuw )

De eskimo's hadden al 14 terroristische aanslagen gepleegd voordat de laatste Noordlandse ijskap was gesmolten. Nu er binnenkort aan de kust van de voormalige Noordlandse ijskap een ontmoeting plaats zou vinden tussen schepen van de Staten en de Federatie die beiden door de ijsvrije Noordelijke zee waren gevaren, vroeg het Bureau van Binnenlandse Aangelegenheden mij om het kampement van de eskimo's in het Noorden te observeren en eventuele handelingen die leken te wijzen op terroristische activiteiten spoorslags te rapporteren. Dit rapport, met bijlagen, gecodeerd met BBA sleutel 42G9, vindt u in de bijlagen van de mail.

piqsirpoq (opwaaiende sneeuw)

Ik had absoluut niet de zin om naar het Noorden te reizen, maar zo'n brief met het officiële BBA stempel die mijn secretaresse die dag aan mij overhandigde, bevatte geen enkele kans het te weigeren; mijn vergunning zou het volgende uur al zijn ingetrokken. Alleen de emailadressen van de extremistische eskimo's doorvlooien en hun .inu domeinen hacken en controleren was niet voldoende; nadat ik die had gehackt moest ik in het Noorden blijven als vooruitgeschoven post van de Staten. Ik liet mijn secretaresse een lijst opstellen van nog onafgewerkte zaken die door ons bureau werden afgehandeld. Dat was een lijst van drie kantjes, met de usual suspects van mensen die wilden weten wat hun partner tot acht uur 's avonds deed, het blokkeren van gehackte persoonsgegevens en kruimeldiefstal bij de steenfabriek.
Aangezien ik geen zin had om naar het Noorden te vertrekken, noch om deze zaken af te handelen, liet ik het aan haar over om onze contactpersonen te informeren over mijn afwezigheid, terwijl ik met mijn door de BBA bijgesloten enkele reis, met lidmaatschap van het frequent flyer programma, naar het Noorden afreisde. Het zou nog even langer duren voor zij erachter zouden komen dat hun partner vreemdging met de slet van de overburen en de medewerker buitendienst 14 ton stoeptegels had doorverkocht op eigen rekening.

qimuqsuq (sneeuwjacht)

Vandaar dat ik nu hier ben, in deze houten hut van drie bij drie in het land dat geen nacht kent, met mijn verrekijkers, opnameapparatuur, chromebook en Inuit naar Engels woordenboek, laatste druk 2009. Op 500 meter was het kampement van de radicaalste eskimo's onder de radicale eskimo's; van die lui die weigerden te stoppen met het jagen en eten van zeehondenvet en walvisblubber en zoals ieder ander hier over te gaan op het strikte dieet van het inmiddels overvloedig voorradige coke met frites en Cheesburger. Iedere avond verlichtten ze het kampvuur met hun blackberry's terwijl ze andere stammen appten, onderwijl elkaar de inmiddels meelijkwekkende verhalen vertellend over hun ontmoeting met de laatste witte ijsbeer. Nog meelijwekkender was dat ik iedere volgende middag deze verhalen uitschreef van de opgenomen mp3's om te versturen naar mijn meerderen van de BBA, die vast reuze tevreden waren over mijn vorderingen. Over eventuele aanslagen op oliepijpen, boorinstalaties en wat dies meer zij, voornamelijk dennebomen, hoorde ik niets. Maar de eskimo's wisten donders goed dat ze niet over deze zaken online of over hun mobiele telefoon moesten spreken. Ze maakten afspraken in het veld of de bossen om deze voor te bereiden, in kleine groepjes van drie of vier man, die slechts op de hoogte waren van losse onderdelen van de volledige operatie. Operaties om hen deze informatie te 'ontfutselen', waaronder de betere ontfutselmethodes zoals 24 uur per dag luide muziek draaien en ze verhuizen naar een warm, extreem zanderig land aan de evenaar, hadden dan ook niets op kunnen leveren. Het was een zaak van lange adem, die mij in kleine, gedonseerde waas ontsnapte.

iglupak (sneeuw waar je iglo's van kunt maken)

Mijn hut had twee ramen, zodat je het een doorzonhut zou kunnen noemen, een stapelbed dat denk ik nog door de jeugdherberg aan deze hut is gedoneerd, een tweepitsgastel, een houten tafel, waarop nu de chromebook, een richtmicrofoon, het woordenboek en mijn opschrijfboekjes liggen, en heel veel blikken bonen in tomatensaus. Ik was zo ver Noordelijk dat de enige email die mij nog bereikte Nigeriaanse spammail en sporadische gecrypte berichten van de BBA waren. Ook op die verbindingen kon je niet vertrouwen, hoewel de Nigerianen een buitengewoon goede inspanning deden me te bereiken, dus ik ging al snel over tot het ouderwetse handwerk met opschrijfboekjes in code; een rotwerk dat me uren per dag kostte. Het grootste deel van de tijd bracht ik zodoende achter deze tafel door.
In de hoek van de kamer stond een rode American Style ijskast, waarvan ik vermoedde dat die tot voor kort in deze contreien niet nodig was geweest. Het kan alleen een blingbling item zijn geweest van de Noordlander die hier had gewoond, en met het geld dat hij kreeg met het verhuren van zijn hut aan de BBA vast de rest van zijn leven op de Bahama's kon rondbrengen, daar de hipster uithangend met zijn verhalen over de ontmoeting met de laatste witte ijsbeer.
Naar buiten ging ik wel de eerste dagen, maar omdat ik mijn aanwezigheid niet wilde rondbazuinen en, hoewel de polen inmiddels gesmolten zijn, het hier nog steeds verdomd koud is, bleef ik steeds vaker binnen. Bovendien was er de eland.

kimauguk (blokkerende sneeuw)

Ik had moeten weten dat het misging toen ik de eland zag. Hij was een grote eland, met een enorm gewei. Het dier was op een dag zomaar komen opdagen en begraasde de bomen voor de hut. Hij weigerde mij de toegang tot het land buiten de hut. Altijd als ik aanstalten maakte om naar buiten te gaan stond het dier voor de deur, alsof hij al mijn gedachten wist en al mijn geheime code kon lezen. Nu, als ik van de tafel opsta, heft hij zijn hoofd, om mij te laten weten dat hij mij in de gaten houdt en precies weet wat ik denk en van plan ben. Eland - ik - eskimo's.
De eerste dagen probeerde ik het wel. Ik stond op en opende de deur, en daar stond de eland, op een meter van de opening. Hij staarde mij aan met zijn grote donkere ogen onder zijn imposante gewei, en hield zijn hoofd scheef. Als ik een voet buiten de deur zette uitte het dier een machtige bronstkreet, die door al mijn spieren zinderde, zodat ik mijn been schielijk weer naar binnen trok.
De eland zette twee stappen en ging twee meter van de deuropening kruiden afgrazen.
Als ik weer naar buiten probeerde te gaan, liep de eland loom, uitdrukkend dat het hem geen enkele moeite hoefde te kosten om mij binnen te houden, naar de deuropening, waar hij voor ging staan en krabde zijn zij aan de deurpost. De enige keer dat ik probeerde langs hem te schieten, duwde hij me met zijn hoofd gewoon terug het huis in.

mauya (sneeuw die doorbroken kan worden)

Terwijl ik de saaie klus aanving om de gesprekken van de eskimo's van de afgelopen dag uit te schrijven in code, bedacht ik plannen om de eland te slim af te zijn. Ik smeerde de scharnieren van de deur met wat kruipolie dat ik in de hut had gevonden zodat het niet meer piepte en liep op mijn tenen, op kousenvoeten naar de deur. Het was vijf uur 's middags, het moment waarop alles wat zich buiten waagde en zich niet insmeerde met een walgelijk ruikend goedje, werd leeggezogen door toendramuskieten. De eland, had ik gezien, zocht dan altijd een schuilplaats tussen de dennebomen.
Ik sloop naar de deur en opende hem voorzichtig. Geen geluid. De opening was net groot genoeg voor mijn lichaam om ertussendoor te wurmen. Ik stak mijn hoofd naar buiten en keek recht in elandsogen. Ik voelde zijn boze warme adem op mijn hoofd. Hoe ik het in mijn hoofd haalde om naar buiten te gaan terwijl ik toch wist dat iedereen, nu ook hij, in dit door muggen vergeven land werd geteisterd. Huh! Ik liep net zo zachtjes weer naar binnen en nam mijn verlies.

auksalak (smeltende sneeuw)

Ik was al weken (maanden?) binnen. De eland had mij gevloerd. Ik bleef in de hut, at de bonen uit blik, registreerde de gesprekken van de eskimo's, keek naar de eland. De eland keek terug, hield zijn hoofd schuin. Ik wachtte. Hij wachtte. Zij wachtten. Terwijl de tijd vloeibaar werd. Aan het licht kon je de tijd niet meer aflezen. Het - was - altijd - licht. Altijd was het licht. Altijd was er geroezemoes van de eskimo's en altijd was er de eland. Het was een tijdcontinuum; de toekomst zat vast. De geschiedenis was dit ogenblik, toekomst was er niet; tijd was vloeibaar en stolde in een punt. De eland stond vast op zijn plek, de eskimogesprekken werden zinnen, werden klanken, werden streepjes in mijn opschrijfboek. Altijd dezelfde streepjes, een ritme dat bladzijden lang doorging Er was een punt, besefte ik me, waar de streepjes altijd hetzelfde zouden zijn, waar de code zich herhaalde, tot in het oneindige. Tijd was er alleen nog op de chromebook. Dit was het plan; het plan van de eskimo's. Hun laatste aanslag. Ik begreep het. Ik moest de BBA waarschuwen. Ik moest ze mailen en van het plan op de hoogte brengen. De tijd. De eland.

gana (sneeuw in de lucht)

Er was geen tijd, alleen een buiten en binnen. Ik at mijn bonen binnen en keek naar buiten. Buiten liep de tijd, binnen stond hij stil. Ik keek naar buiten en zag de eerste vlokken vallen. Sneeuw! Ik heb in geen jaren sneeuw gezien. Het is te warm voor sneeuw, al tijden. Het was ze gelukt, de eskimo's. Er viel weer sneeuw. De eland liep traag door de vlokken en schudde zijn hoofd. Hij groef met zijn hoeven naar mos, zoals hij in al geen jaren meer had hoeven doen. Er was niets meer te schrijven, niets meer te luisteren. Het was klaar, en ik kon altijd binnen blijven. De eland keek naar de hut, schudde met zijn gewei en vertrok.

katiksunik (sneeuw waarover je kunt lopen)

Ze zag de boswachters door de knisperende verse sneeuw naar de hut lopen en daar zagen ze hem zitten. Hij zat achter de tafel en keek naar buiten. Naast hem lag een opschrijfboek en een chromebook. Ze waren gewaarschuwd door haar. Zij had zulke vreemde mails van hem gekregen, met bijlagen vol streepjes.
Ja, vertelde ze hen, zij had zijn vliegticket gekocht; zij was de onderzoeksleider. Hij zou woorden van de Inuit onderzoeken, alle woorden voor sneeuw.
Ze zagen hem en wisten het en liepen naar de auto terug om het haar te vertellen. We moeten hem voorzichtig naar buiten brengen. Het gaat pas helen als hij weer verbinding krijgt met de buitenwereld. Ze liep met hen mee naar de hut waar haar collega zat. Hij zat bij de tafel. De boswachters liepen naar binnen en ondersteunden hem naar buiten; zware, wankele passen. Hij liep over de sneeuw, en leek verbaasd dat het kon.

zondag 26 april 2015

392 hz

Haar dromen waren blauwzwart. Net voordat ze in slaap viel zag ze iedere avond door het kleine kiertje van het open raam honderden vlinders haar kamer binnen vliegen. Hun vleugels knisperden in het donker. Sommigen vlinders hadden zwarte vlekken op hun vleugels, andere waren volmaakt blauw, met een zwarte rand. Als ze wakker werd waren ze door door het raam verdwenen en was er alleen de kale kamer.
Steeds vaker droomde ze over de vlinders. Ze fladderden om haar heen, bestreken haar hele slapende lichaam met zachte vleugelslagen, die haar huid kietelden. Droom na droom werden de vlinders minder schichtig, en in één droom landden er een aantal op haar lichaam, meer en meer, tot ze helemaal bedekt was met blauwzwarte vlindervleugels.
In de nacht bedekten de vlinder haar helemaal en plotseling vlogen vlogen ze allemaal op. Verbaasd stond ze op uit bed. De vlinders cirkelden rond haar heen tot ze in een lang lint door het raam naar buiten vlogen. Ze trokken aan haar, cirkelden rond haar terwijl hun soortgenoten naar buiten vlogen. Ze liep achter het einde van het lange lint vlinders aan naar het raam en zag ze in het maanlicht naar de bomen vliegen.
Ze werd wakker en stond voor het raam en zag de stad in het ochtenddonker, in de verte de bomen van het stadspark en daarvoor de donkere straten die ze iedere ochtend befietste op en neer naar college. In de verte, van kilometers ver leek het haar, hoorde ze de vleugelslagen van de vlinders.

Ze zag steeds minder van de bedrijvigheid van de stad. De mensen leken haar onwerkelijk, wezens waar zij niet bij hoorde. De geluiden die ze maakten klonken steeds harder in haar oren, ze kon ze steeds minder lang verdragen. De ochtend en avond werden haar domein. Als ze naar college fietste in de vroege ochtend, was de stad vergeven van gele en oranje geursporen die haar leiden. Het stadspark, waar ze met de weg rond omheen moest fietsen, lag verscholen in een mist van geel oranje wolken. 's Avonds op de weg terug parkeerde ze haar fiets tegen een lantarenpaal en liep de geursporen achterna het park in. Op het kleine grasveld bij de bomen ging ze liggen. Ze sloot haar ogen. Het gras kriebelde. Hoe lang lag ze nu hier? Ze voelde de grond niet meer, leek opgetild te worden door de deken van geuren. Ze  hoorde ze de vleugelslagen rond haar; een knapperend geluid. Ze kon de vlindervleugels steeds beter horen, tot ze zich op iedere individuele vleugelslag kon oriënteren, tot op de centimeter nauwkeurig. De geurdraden waren kilometers lang door de hele stad heen en verbonden alles met elkaar en met haar. De vleugelslagen hadden een specieke frequentie, ze voelde de golven door haar cellen oscilleren. Soms kwam er een vlinder om haar heen vliegen, met  knetterende vleugelslagen, en glimlachte ze. De vlinder paste de vleugelslag aan aan de toonhoogte van haar glimlach, 392 Hertz.

Ze studeerde mode en styling aan de Hogeschool voor de Kunsten in het oude centrum van de stad en steeds meer voelde ze de aandrang om te weven. Ze kocht op een rommelmarkt een oud weefgetouw, dat ze repareerde en waar ze op begon te oefenen. Eerst voorzichtig, maar steeds meer met een voor haar niet te omschrijven innerlijke drang. Ze moest weven! Ze weefde kleine ovale vormen, die ze voor opdrachten voor college aan elkaar verbond met draden. Haar opdrachten werden contructies die op allerlei manier met elkaar waren verbonden, soms tientallen vormen groot. Voor een opdracht maakte ze twintig conconnen, die ze met draden verticaal aan het plafond liet hangen in een cirkel, waarin ze zichzelf filmde met een camcorder.

Ze begon aan een nieuw idee, dat uit het diepste van haar hart voortkwam, voelde ze. Haar hoofdwerk. Ze werkte niet vanuit een plan of een uitgewerkt idee. Haar hele lichaam wist wat ze moest doen, zonder dat ze nu aan iemand kon uitleggen wat ze van plan was. Het was haar laatste weefwerk, voelde ze aan.
Ze was in haar kamer en weefde. Door de kern van haar hele wezen heen voelde ze de verwachting van dit laatste weefwerk, als ze er aan dacht kreeg ze kippevel over haar hele lichaam. De gedachten er aan verteerden haar, maakten haar bang en ook opgewonden.
Haar huisgenoten, die haar vroeger wel gezien hadden in de keuken of de gang van het studentenhuis, zagen haar steeds minder. Ze wisten dat ze er was door het geluid van het getouw dat ze iedere dag hoorden. Heel soms zagen ze haar nog naar de badkamer gaan. Ze werd magerder, vonden ze. Ze spraken haar daarop aan, en ze zei dat ze geen eten meer nodig had, dat haar lichaam vol was, en binnenkort zou transformeren. Toen de geluiden van het getouw uiteindelijk ophielden, hadden de medebewoners haar al zo lang niet meer gezien dat ze er geen aandacht meer aan schonken.



De agent liep met de huisbaas mee de trap op. Al maanden had niemand meer van de huurdster van de kamer gehoord. Haar huurachterstand had de huurbaas genoodzaakt om de instanties in te schakelen. Met de sleutel van de kamer liep hij voorop en opende de deur. De enorme cocon lag op haar bed. Hij was gewoven van prachtige witte draden, en weerkaatste het licht dat de kamer binnenkwam. Er liep van boven naar beneden een scheur door de cocon, die, zag de agent, leeg was. Verder was er niets in de kamer dat er op wees dat er iemand woonde of had gewoond. De kamer was kaal en zonder menselijke bemoeienis. Alles was keurig netjes opgeruimd.  De ruimte  leek op een opstelling uit een Ikeacatalogus. Het enige opvallende was een weefgetouw dat tussen een kast en de muur stond en de enorme cocon. De agent keek de kamer rond en liep naar het open raam. Buiten hoorde hij de vleugels van duizenden vlinders. Hij wist niet waarom, maar ondanks de situatie moest hij glimlachen.

donderdag 19 februari 2015

De redding van mijn vader

De dag dat mijn vader op het strand van Zandvoort aanspoelde, leek te beginnen zoals iedere andere. Het had behoorlijk gestormd die nacht, en daarom dacht een wetenschapper dat mijn vader door het weer de weg was kwijtgeraakt en op het strand was aangespoeld. Dat zei hij op de televisie in een praatprogramma op de vroege avond na het incident.
Mijn vader was een forse man, een meter achtennegentig en meer dan honderdertig kilo, toen hij zich voor het laatst woog, maar goed afgetraind. Hij had het lichaam van een judomeester, grote brede schouders en een enorme torso. Dat lijf lag nu naar adem te happen op het strand van Zandvoort, en leek nog kolossaler. Een aantal vrijwilligers, naar later bleek scholieren van de nabijgelegen ROC, probeerden hem nat te houden door emmers water over hem heen te gooien.
Het komt niet vaak voor, zo'n stranding, vertelde een aanspoelingsdeskundige, zeker niet aan onze stranden. Daarom trok mijn vader ook veel bekijks, terwijl hij naar adem happend op het strand lag, waar zijn immens krachtige lichaam hem volstrekt niet kon helpen. Al een paar uur na zijn stranding werd mijn vader gefilmd door diverse nieuwsinstanties van de televisie en gefotografeerd door allerlei mensen van de ochtendkranten. Er was ook een fotograaf van de middagkrant, maar die wist al dat hij te laat was voor de editie van vandaag. Morgenmiddag zou mijn vader niet meer dan nieuws voor pagina 12 zijn, een klein kolommetje zonder foto, waarin zijn dood, vermoedde de fotograaf, werd aangekondigd, dus hij deed niet veel. De andere fotografen deden ook niet veel, behalve fotograferen, dat deden ze de hele tijd. Je mag als fotograaf je onderwerp niet helpen, want dan beïnvloed je het nieuws, en dat is een doodzonde voor een gerenomeerde journalist, vertelde de fotograaf van het middagblad, die blijkbaar niet veel anders te fotograferen had dat wel de krant kon halen en dus maar bleef. Hij wist van een fotograaf die kinderen in nood geen voedsel gaf, maar alleen fotografeerde, om het nieuws zo puur mogelijk te brengen. Die erecode werd ook bij mijn vader gehandhaafd, zodat mijn vader alleen maar kon briesen naar de pers, wat tot enige hilariteit leidde onder het journaille.
Vanwege de stranding was iedere nieuwszender op zoek naar wetenschappers, die de zaak konden duiden. Die zijn dungezaaid, dus vaak zag je wetenschapper A bij Zender 5 en deskundige B bij Zender 8 en daarna andersom, want er was veel tijd te vullen en weinig nieuws. Al vrij snel werd duidelijk dat men zou wachten tot het vloed werd, om dan te proberen mijn vader  de goede kant op te slepen. Het kwam mij voor dat niemand wist wat de goede kant in dit geval precies was, maar dat zou vast duidelijk worden als het eenmaal vloed was.
Een van deze wetenschappers vermoedde dat mijn vader door de storm niet goed had kunnen echoloceren en dat hij daarom op het strand was aangespoeld en in zijn benarde positie lag. Ik had hem kunnen vertellen dat mijn vader het dichtst bij echolocatie was geweest toen hij een muntje gooide in een wensput, maar dat werd mij niet gevraagd.
Een deskundige van een gerenommeerd instituut uit Amerika, die daarom een eminente wetenschapper werd genoemd, vertelde dat hij zeker wist dat mijn vader een vrouwtje was. Hij was op doorreis van een congres en kon dit niet aan zich voorbij laten gaan, dus toen hij het nieuws hoorde had hij zich hiernheen gespoed om de stranding live te kunnen meemaken. Hij had er vaker over geschreven, maar was nog nooit 'op locatie' geweest op het moment van een echte stranding, vertelde hij. Dat mijn vader een vrouwtje was kon je zien aan de bouw en de grootte van mijn vader en aan specifieke eigenschappen van zijn gezicht en vooral zijn mond, waarover de man niet uitgepraat raakte. Sindsdien werd mijn vader in de media Aquarella genoemd, terwijl hij gewoon Dirk heette.
De jongeren die mijn vader nat hielden moesten weer naar les, daarom werd er een oproep gedaan op de radio voor nieuwe vrijwilligers, en locals uit Zandvoort kwamen in grote getale naar het strand om het stokje van de leerlingen over te nemen. Inmiddels werd deze actie, die ik eigenlijk niet helemaal begreep, gecoördineerd door het Waterschap, die deze taak uitbesteedde aan een voorman van een baggerbedrijf, die toevallig in de buurt was omdat een van de schepen van het bedrijf even verderop een vaargeul uitbaggerde. Onder leiding van de voorman werden uit heel Zandvoort emmers gehaald. Om de reddingsactie op een hoger niveau te brengen maakte de voorman van de inwoners van Zandvoort een treintje en werden de emmers niet meer gevuld met zeewater, maar met kraanwater uit een nabijgelegen strandtent. Terwijl mijn vader voortdurende brieste en proestte werd zo gewacht tot het weer vloed werd.
Dat was aan het begin van de avond. Mijn vader ademde beroerd, dat kon zelfs ik zien. Toen het vloed werd namen de wetenschappers de actie weer over van de voorman, want nu was de tijd dat grote bekwaamheid op het gebied van strandingen aan de dag moest worden gelegd. Aan beide armen van mijn vader werd een touw gebonden waarmee, onder 'Aah-hee' geroep van de wetenschappers, mijn vader door een groep burgers over het strand naar de aanstormende zee zou worden gesleept. Dit vertelde een van de coördinerende emiritus hoogleraren aan de inmiddels met volle verlichting werkende tv-crew. Ik zag dat mijn vader van dit nieuws, dat hij woordelijk begreep, behoorlijk onthutst was. Hij zag dit helemaal niet zitten, maar lag op het strand dus kon er moeilijk iets tegenin brengen. Ik zou dit hebben gekund, maar mijn rol in dit hele verhaal was van het begin af aan niet meer dan chroniqueur.
Het zeewater bereikte de palen van de zeekering om acht uur precies. Aah-hee! riepen twee deskundigen en de inwoners van Zandvoort trokken de armen van mijn arme vader bijna uit de kom. Ze moesten een bocht maken om bij het zeewater te komen dus trokken ze hem eerst verder het strand op, om daarna de bocht te maken. Mijn vader maakte diepe sporen in het zand. Zijn schoen viel uit en zijn kleren, die hem altijd onberispelijk hadden gezeten, fladderden nu aan alle kanten om hem heen. Hij leek totaal uit het lood geslagen door de brute kracht en de oneerbiedigheid die hem ten deel viel, terwijl hij er toch ook niets aan kon doen dat hij hier gestrand was.
Ondanks de steeds fanatiekere Ah! Eeh!'s van de wetenschappers, verliep de redding van mijn vader steeds moeizamer, tot het moment dat hij, nu met zijn gezicht naar het water, op het strand lag en de groep mensen die aan de touwen trok geen beweging meer in hem kregen. Zelf bewoog hij ook niet meer, uit zijn hele houding sprak berusting in zijn lot. Hij ademde heel af en toe zachtjes, dan zag je wat zandkorreltjes opstuiven. De reddingsactie was mislukt, zeiden de wetenschappers, alsof hij ooit had kunnen lukken.
Een paar mensen sjokten nog met wat gele emmertjes om water over mijn vader te spoelen, maar allengs werd ook hen duidelijk dat dit een verloren zaak was. Terwijl de tv-lampen het strand verlichtten en mijn vader een schaduw had die groter was dan hijzelf ooit was geweest, vertelde een curator van een museum, dat nu, nu toch duidelijk was dat mijn vader niet meer te redden was, hij graag het stoffelijk overschot, zoals hij mijn vader noemde, niet meer Aquarella of Dirk, de volgende ochtend graag wilde afvoeren en opzetten voor zijn museum. Het kwam immers maar zelden voor, zo'n stranding, en het zou een goed verhaal zijn om te vertellen aan de kinderen die zijn museum bezochten. Ze konden leren over de natuur. Ik keek naar mijn vader op het strand, die zijn laatste adem aan het uitblazen was in het licht van twintig tv-camera's, en vroeg mij af wat de kinderen konden leren van mijn opgezette vader in een museum en een reddingsactie die niet had kunnen lukken.
Het zou wel snel moeten worden besloten, zo eindigde de curator, want anders zou het lichaam gaan ontbinden, en dat wilde je niet in een museum, dat was wel duidelijk. Zou er Aquarella bij de vitrine van mijn vader komen te staan, vroeg ik me af, of stoffelijk overschot? Of zou het me lukken om de mensen ervan te overtuigen dat hij mijn vader was geweest, en Dirk had geheten voor hij op het strand was aangespoeld?

dinsdag 17 februari 2015

Mantelzorg

De zon stond als een gele bol in de hard blauwe lucht en verwarmde de Aarde en de mensen; maar mijn vrouw was al een jaar niet meer buiten geweest, en bleef kil van binnen. Haar dag begon als we opstonden en ik haar aankleedde en naar de schommelstoel bracht en eindigde als we gingen slapen en tussen die momenten gebeurde niet veel.
Dat we de zon zagen kwam omdat ik de gordijnen opendeed. Mijn vrouw had hier geen behoefte aan en vaak als ik het huis uit was om boodschappen te doen, of naar het koersbaltoernooi op donderdagmiddag, waren als ik terugkwam de gordijnen gesloten.
Ze at mijn gerechten, maar als ik vroeg wat ze wilde hebben, of mijn idee vertelde om tomatensoep te maken, zei ze niets en bleef ze onverstoorbaar in de schommelstoel zitten. Ze at omdat haar lichaam voedsel nodig had, niet omdat haar geest wilde eten.
We deden alles samen, waren altijd bij elkaar, en tegelijkertijd deden we niets met elkaar en zagen we elkaar nooit. Mijn vrouw was in een wereld beland zonder mij. Een kamer waar ik de sleutel niet van kon vinden om er te komen en het licht voor haar aan te doen en de klok op te winden. Haar wereld leek een wereld zonder tijd, waarin alles altijd stilstond, ieder moment op dezelfde plek. Zelfs de zon leek haar wereld geen energie te kunnen geven om in actie te komen.
Steeds meer werd deze grondgedachte ook onze fysieke realiteit. Zij zat in haar kamer, en ik in de bijkamer van het huis, waar ik de ramen open kon doen en de wereld kon binnenlaten. Ik keek naar buiten, waar een moeder met haar kleuter de eenden brood gaf uit een Albert Heijntas en snaterend achtervolgd werd toen het op was. Waar de meeuwen opstoven als er een auto langskwam. Waar de bomen groen en dan geel en  kaal en dan weer groen werden, waar de zon opkwam en het regende, kletterend op de paraplu's in allerlei kleuren. Waar iedere schooldag om drie uur de kinderen langskwamen fietsen, begeleidster vooraan en begeleidster achteraan, in een lang giebelend lint.

 Het was in deze kamer dat de poes ons leven binnenkwam. Op hoge poten, haar witte staart omhoog voor evenwicht liep ze over het kozijn naar het open raam en sprong naar binnen. Ze schudde zich uit als een hond na een regenbui en keek even om zich heen in haar nieuwe omgeving. Gewend liep ze doelbewust, alsof dat altijd al haar lotsbestemming was geweest, naar de kamer van mijn vrouw en sprong op haar schoot. Daar nestelde ze zich en legde haar hoofd op haar poten. Ik bekeek het tafereel met opperste verbazing, en zelfs mijn vrouw leek even niet te weten wat ze met haar gast aan moest. Ik was volkomen verward, want een emotie, welke dan ook, had ik al een jaar niet meer bij mijn vrouw bespeurd. Toen besloot ze om deze indringer op haar wereld maar te accepteren en bleef stoïcijns zitten.
De poes was een stadskat, dacht ik. Ze was zwart, met witte pootjes en een witte staart. Ze kwam en ging op mijn vrouws schoot liggen, en als ze er genoeg van had, sprong ze weer op en ging door het open raam naar buiten.
Mijn vrouw deed niets met de poes. Ze aaide haar niet, of praatte niet tegen haar. Ze liet toe dat het dier op haar schoot sliep, meer niet. Toch zag ik na enkele weken een verandering bij mijn vrouw. Ik dacht, of was het slechts wensdenken, dat ik in de ogen van mijn vrouw een soort verlangen zag naar de poes op haar schoot. Als het dier kwam en zich op haar schoot had genesteld kwam het me voor de ze een bevredigde zucht slaakte, alhoewel ik die nooit hoorde.
Soms kwam de poes een dag niet. Misschien hield haar baasje haar dan binnen, of had ze nog een ander adresje waar ze langskwam. Mijn vrouw leek op zo'n dag niet te weten wat ze met zichzelf aanmoest. Als ze normaal de hele dag stoïcijns zonder te bewegen in de schommelstoel zat, bewoog ze nu voortdurend haar schoot, alsof ze niet lekker zat.
Ondanks dat mijn vrouw de poes niet aaide of aansprak, was ik blij dat er iets was dat haar een beetje vreugde leek te geven. Als het lunchtijd was en de poes binnen was gaf ik haar lactosevrije melk en vlees in tomatensaus uit een blikje kattenvoer. De poes rook aan het eten en mauwde mij dan vriendelijk toe en we aten dan onze gezamelijke lunch. Vlees is vlees zou je verwachten bij poezen, maar dat is niet zo. Onze poes bleek een voorkeur te hebben voor bepaalde soorten vlees en andere, bijvoorbeeld kalkoen, af te wijzen. Ze snuffelde dan aan het eten en keek mij aan met een blik die opperste minachting leek uit te drukken voor mijn keuze van haar middagmaal. Zo aten wij drieën zwijgend, maar niet onplezierig, ons eten.

Op een donderdag was de poes niet gekomen en die middag ging ik naar het wekelijkse koersbaltoernooi, de enige momenten dat mijn vrouw en ik niet samen leefden. Ik was niet goed in koersballen en vond de sport ook niet bijzonder leuk, maar een moment ergens anders zijn luchtte me wel op. Het uurtje koersballen met een kopje koffie na gaf me het vermogen om de andere dagen bij mijn vrouw te zijn en met haar te leven, samen en toch gescheiden. De andere deelnemers aan het koersballen wisten niet van de conditie van mijn vrouw, en we praatten over koetjes en kalfjes en politiek. In dat uurtje hoorde ik de wereld om mij heen die ik niet meer hoorde in het huis; de citotoets van een kleindochter (HAVO/VWO), het skypegesprek met een zoon op vakantie in Australië (hij had een koala geaaid), dat de IKEA nu vegetarische Zweedse balletjes verkocht (hoe kom je er op), de oogoperatie van een buurvrouw, waar een volledige lens uit haar oog was verwijderd en een kunstlens was teruggeplaatst zodat ze nu zelfs geen bril meer nodig had, een optiek dat ze vanaf haar vijfde jaar gedragen had (wat men toch allemaal niet kan!) en de derivaten van de woningbouw (zaken waarvan we allemaal wisten dat je daar nooit aan moest beginnen, alhoewel niemand aan de anderen kon uitleggen wat een derivaat was).
Toen ik terugkwam lag de poes bij mijn vrouw op schoot te slapen. Dit kon niet, want ik deed altijd het raam dicht als ik wegging. Het kon dus niet anders dan dat mijn vrouw het raam op een kier had gezet om de poes binnen te laten.
Op een andere dag had ze alle blikjes met kalkoenreepjes bij het vuilnis gezet en keek me met een veelbetekenende blik aan. Ik ging ze meteen weggooien in de buitenbak en ander blikvoer kopen, waarop de poes meer gesteld was.
Langzaam veranderde onze wereld. Hoewel ze er niets mee had, leek de wereld buiten minder hard voor mijn vrouw. Ze deed de gordijnen niet meer dicht. Als de poes op haar schoot lag begon mijn vrouw over de poes te praten; waar ze vandaan zou kunnen komen en wie van onze buren haar baasje was. Zachte woorden, korte zinnen. Ik hoorde haar stem. Het timbre, de manier waarop ze een H uitsprak, ik herkende het. Het was mijn vrouw, die ik dertig jaar geleden had getrouwd en jaren geleden langzaam verloren was, die terugkwam. Ik praatte terug, maar ze gaf me geen antwoord. Het was een eenzijdig contact, van haar kant, zonder te reageren.

De poes was al drie dagen niet langsgeweest en mijn vrouw was over haar toeren. Ze controleerde of het raam openstond (dat stond het) en het leek alsof ze de poes wilde roepen, maar we wisten haar naam niet, dus dat kon ze niet. Ze zei niets, maar ik zag dat ze op was van de zenuwen. Ze zat niet meer in haar schommelstoel, maar liep op en neer tussen haar kamer en de bijkamer, terwijl ze zachte geluidjes maakte en een beslissing nam. Toen pakte ze haar jas en kleedde zich aan. Ze pakte mijn jas van de kapstok en duwde die met een ruwe beweging in mijn hand. Ik spoedde mij om mijn schoenen aan te trekken en de jas aan te doen. Mijn vrouw leek even te aarzelen toen de deur open was, maar liep toen door de deuropening naar buiten. Ze stond in de zon en keek om zich heen. Ze liep een stukje de straat in. Een zwarte poes met een witte staart kwam op haar afgelopen. Met haar staart omhoog draaide de poes om mijn vrouw heen en zij aaide haar, terwijl een lint giebelende schoolkinderen om hen heen fietste.

(Dit verhaal is geschreven nadat ik The guest cat van Takashi Hiraide had gelezen)

zondag 4 april 2010

Just a small song

I like it when you sing a song to me
I don’t mind what it is, just sing it like you see
Sitting on my bed, your legs crossed
Your head lost

Almost sleeping
My legs barely touch your knees
You have to get up, drink a glass of water,
I take an anglecard; it’s peace

*Uit de archieven van iiwi*

zaterdag 13 december 2008

De paspop

Die dag keek ik in de spiegel en besloot ik dat ik mezelf een lichaam zou geven waar alle kleren leuk op stonden. Ik droeg een onderbroek van Björn Borg en jeans van Donna Karen New-York, een tee van Abercrombie en Fitch en een sweat-shirt waar GAP achter op stond. Maar het stond niet.
De onderbroek van Björn Borg kwam niet boven de boord van de jeans uit. Ik probeerde oversized. Je zag de roze Björn Borg letters net boven de jeans uitkomen. Ik glimlachte. Ik liep door de kamer en de jeans zakte langzaam van mijn heupen. Ik hield de broek vast en liep naar de spiegel. Onder de tee zag ik een buikje. De schouders van de tee vielen op mijn onderarmen. Ik zette de hood van het sweat-shirt op mijn hoofd. Het was een volledig nieuw heelal voor mijn gezicht. Als ik hip-hop danste viel hij af. Bovendien waren de mouwen te kort. Dat was het moment dat ik besloot mijzelf een perfect kledinglichaam te geven.

Na mijn besluit werd ik erg vrolijk en liep de rest van de dag naakt door mijn huis.

De uitvoering van mijn besluit bleek ingewikkelder dan ik voorzien had. Want hoe bepaal je het perfecte kledinglichaam? Ik besloot modellen te zoeken en plaatste advertenties. Acht schone lieden reageerden. Ik liet ze door mijn kamer paraderen en vertelde ze de bedoeling. Geen foto's, alleen als er kleren buitengewoon mooi stonden. Vier haakten gelijk af. De andere vier kwamen iedere zaterdag langs om kleren aan te trekken.
Ik liet de jongens al mijn kleren passen en als iets goed zat, nam ik de maten van het model op en maakte een foto; vooraanzicht en zijaanzicht. De maten en de foto's plaatste ik in een database. Na vier weken had ik drie matches van kledingstukken en lichamen; een geel t-shirt van Lacoste, één paar G-stars en een riem van Gucci. Ik had kunnen overwegen dat de meeste kledingstukken niet staan bij normale lichamen. Maar die gedachte vond ik economisch dermate belachelijk dat ik hem verworp. Ik kon niet geloven dat kledingontwerpers hun kleren niet zodanig vormgaven dat ze bij het grootste aantal mensen als gegoten zaten.
De volgende weken was er geen enkel model die iets als gegoten zat. Ik berekende dat ik er op deze manier veertig jaar over zou doen om voldoende matches van kledingstukken en lichamen te verzamelen voor een significante statistische standaarddeviatie van de maten van het perfecte kledinglichaam. Ik moest een andere oplossing bedenken.
Die oplossing kwam zomaar opeens in mij op; de paspop. Op paspoppen staan alle kleren immers als gegoten. Als ik een paspop zou kunnen krijgen, zou ik de maten hebben voor mijn nieuwe lichaam.
Een paspop vinden bleek niet makkelijk. Ik vroeg een aantal kledingverkopers naar de plaats waar de paspoppen vandaan kwamen, en het laatste meisje zei uiteindelijk dat ze die bestelden bij een zaak die de Paspoppenfabriek heette. Ze schreef het adres en telefoonnummer op een papiertje.
De Paspoppenfabriek was slechts een opkoopbedrijf van paspoppen. Ze kochten paspoppen in en verkochten die weer. Ik ging naar hun magazijn. Daar stonden 10.000 paspoppen, opgesteld in carré's en cohorten. Ze leken plastic soldaten van de Qin-dynastie. De eigenaar van de Paspoppenfabriek wilde mij eerst niet het adres geven van de fabriek die de paspoppen maakte, maar hij deed het uiteindelijk toch. Het bleek dat alle Europese paspoppen werden gemaakt in Czestochowa, Polen.
Vier generaties vrouwen hadden in Czestochowa paspoppen gemaakt. Ze leefden allemaal nog. Alleen de overgrootmoeder maakte geen paspoppen meer. Haar handen beefden te erg. De drie dochters gingen iedere dag in hun Polski-Fiat 125P naar de werkplaats, een klein vervallen schuurtje in Wrzosowa, een dorpje vlakbij Czestochowa. Daar hadden ze in een schuur van een boerderij een werkplaats en zetten de paspoppen in elkaar van onderdelen die ze van de Teatrzyk Kukiełkowy Fabryka ontvingen. De hele dag assembleerden ze perfecte plastic lichamen. De planken in de schuur lagen vol kartonnen dozen volmaakt gevormde handen, rompen met wasborden, gespierde bovenarmen en dijbenen. Zelf waren ze ongetrouwd. De Poolse mannen die hen aanbaden konden zich niet meten met de paspoppen.
Als particulier mocht ik geen paspop kopen. De directeur van de Paspoppenfabriek vertelde dat ze dat vroeger wel hadden gedaan, maar dat de paspoppen voor allerlei andere doeleinden werden gebruikt dan waar ze voor gemaakt waren. De filmpjes op internet van deze nevenactiviteiten werden dermate schadelijk voor het imago van het bedrijf, dat ze het niet meer toestonden.

Er zat niets anders op. Ik zou een paspop moeten stelen.

Na een aantal rondes door de stad om bij alle kledingwinkels paspoppen te bekijken, viel de keuze op een paspop van Cavalaro. Er stonden vier paspoppen in hun etalage. Hun kleren zaten als gegoten. Deze paspoppen hadden geen gezicht en de anonimiteit daarvan stond me aan. De gezichten van de paspoppen waren vervangen door een tennisracket, een piepschuimen bol volgeprikt met sigaretten op een speld en eentje had een enorme rode mond van triplex en werd bij de benen vastgegrepen door een pluchen orang-oetan. De paspoppen hadden namen gekregen, die op een bordje onder de paspoppen stonden: Roger Federer, Ashes to Ashes en Fay Wray. Ik vroeg me af hoe Ashes eruit zou zien als alle sigaretten waren opgerookt.
De laatste paspop had een elektrische bol waar de bliksem naar je hand toekomt als je hem aanraakt. Hij heette Electro. Ik stond voor de etalage en bleef naar Electro staren.

Ik kreeg van mijn vader een plasma-bol, toen ik zes was. Hij raakte de bol aan en twee enorme bliksemschichten knalden naar zijn hand. Ik schrok en stapte achteruit naar het einde van mijn kamer.
"Kom," zei mijn vader. Ik kwam, maar niet overtuigend. "Dit is een levensbal," vertelde mijn vader. "Alles wat leeft trekt energie aan. Raak hem maar eens aan met je handen." Behoedzaam raakte ik de bol aan. Twee blauwe schichten vlogen naar mijn handen.
"Zie je?" Ik knikte. "Hiermee kun je monsters uit je kamer houden. Monsters leven niet, en zijn bang voor deze bollen. Zolang je de bol op je kamer hebt, zal er geen monster onder je bed liggen."
Mijn vader stierf toen ik acht was. Hij was al een jaar ziek. Mijn moeder vertelde me dat hij nu in de hemel was, maar ik was niet overtuigd. We mochten hem nog een keer zien om afscheid te nemen. Ik nam de plasma-bol mee en stopte hem in zijn handen. Er kwamen geen bliksemschichten uit.

Ik liep de rouwkamer uit en huilde.

Ik maakte een foto van elke paspop. Thuis legde ik ze op een rij en dacht na over welke ik moest nemen. Ik dacht eerst aan Roger Federer, maar het handvat van het racket bleek op drie-vierde afgezaagd. Daarmee kun je niet meer tennissen. Ik vroeg naar de zaak van het afgezaagde tennisracket bij een meisje met roze en zwart haar dat achter de kassa stond, maar zij wist het ook niet. De keuze viel uiteindelijk op Electro.
Die dinsdag, terwijl het buiten regende en de straten blank stonden, liet ik me insluiten in Cavalaro. Ik hoorde de verkopers een voor een weggaan. Het meisje met het roze en zwarte haar had moeite met het opmaken van de kas en vloekte voortdurend tussen haar lippen. Ze at een appel. Een andere bediende praatte tegen haar en vertrok toen. Uiteindelijk ging ook zij weg. Ik hoorde de klik van de deur die op slot werd gedaan. Ik keek op mijn horloge en besloot dat ik om half acht uit het pashokje zou komen.
Het werd kwart voor acht. Ik hoorde mensen op straat lopen door de regen. Een paartje zei lieve woorden tegen elkaar. Het werd vijf voor acht. Het werd stil. Ik glipte uit het pashokje en kroop achter een rek Peppe's. In het donker was ik mijn oriëntatie kwijt. Eenmaal gewend glipte ik snel door winkel. Ik pakte Electro en rende stil naar de personeelsruimte. De tik van de deur die achter me sloot knalde in mijn oren. Hier kleedde ik Electro uit. Hij droeg vandaag jeans van Gecko, een zwarte Mexx longsleeve met daarover een Tommy Hillfiger. Hierbij was een bijpassende sjaal gedrapeerd. Uiteraard stond het Electro geweldig. Ik vouwde de kleren netjes op.
Met de naakte Electro onder mijn arm liep ik nu rustig de winkel door. Ik was casual winkelbediendejongen. De opgevouwen kleren van Electro legde ik terug waar Electro gestaan had. Met mijn goldcard opende ik het slot. Voor ik met Electro naar buiten liep stak ik alle sigaretten van Ashes aan. Het zag er geweldig uit. Ik vouwde de benen van Electro zo dat ik achter op mijn fiets kon. Ik draaide een spin om zijn middel zodat hij vast bleef zitten en fietste door de plassen naar huis.

Die avond stopte ik met roken.

De paspop werd opgelicht door het licht van de database op mijn computerscherm, terwijl ik de maten opnam. Drie dagen lang draaide ik met mijn bureaustoel van de paspop naar de computer, waar ik de getallen ingaf die ik opmat met een geel meetlint. De plasma-bol lag naast het beeldscherm. Ik gebruikte hem als gewicht voor schriftblaadjes waar ik de berekeningen op maakte die moesten leiden tot een tekening van het perfecte kledinglichaam. Maar het ging niet goed. Het perfecte kledinglichaam leek op de Incredible Hulk. En iedereen weet dat de Hulk kleren niet past. Geen enkel kleer past hem. Het meetlint was niet precies genoeg. Ik kon niet goed genoeg tekenen. Ik besefte dat ik moest investeren om de maten van het perfecte kledinglichaam te vinden.
Ik kocht een meetapparaat waar een rode laserstraal uitschoot. Het kon meten op een honderste milimeter nauwkeurig. Het apparaat sloot ik aan op mijn computer, waar een programma de maten omzette in een 3-D beeld van het object. Omdat ik het precies wilde hebben kostte het de computer drie dagen rekentijd om een 3-D beeld te construeren van Electro. Daarna ging ik zelf onder de laserstraal staan. Geleidelijk ontstond een 3-D beeld van mijn lichaam. De computer berekende de verschillen tussen mijn lichaam en dat van Electro. Er moest veel gebeuren.

Ik begon met een coctail van 20 pillen. Van L-Lysine, carotenoïden complex, Testovate de nieuwe Testoteron Booster en Creatine tot Vyotech Viraloid anabolic agent en een medley van Depo-Testosterone en 4e generatie anabolen, die verrijkt zijn met enzymen, zodat het op precies de juiste plek werkzaam is. Daarna volgden injecties met in oplosmiddel met benzylalcohol opgeloste versies van die middelen. Ik nam de injecties voor ik naar bed ging en voelde in mijn slaap de middelen door mijn bloedbaan racen.
Voor de cosmetische bijwerking van mijn lichaam kon ik niet naar de reguliere geneeskunde. Plastisch chirurgen met een praktijk in een ziekenhuis wilden er niet aan. Mijn voorstellen waren te vergevorderd en experimenteel. Ik was veroordeeld tot de zwarte markt. In de achterbuurten van de stad zat een aantal alternatieve cosmetisch chirurgen. Ze zaten achter een facade van Chinese geneeskundepraktijken, op zolders, achter belhuizen, achter Ethiopische goksyndicaten. Zij deden alles wat je vroeg. Mensen die van ledematen af wilden omdat die niet goed voelden werden geamputeerd. Een vrouw kreeg cup HHH. Een man kreeg snorharen die verbonden werden met zenuweinden in zijn wang. Een scheikundig laborante kreeg een klein cameraatje in haar oog, waarmee zij alles wat ze zag kon downloaden naar haar blog 'See the world through my eyes'. Toen ze aanwezig was op de plek waar een vliegtuig ontplofte en neerstortte namen alle nieuwszenders van CNN tot Al Jazeera beelden van haar blog over. Ze kreeg miljoenen fans over de hele wereld die niet meer naar buiten gingen en de hele dag de wereld zagen via het camera-oog van de vrouw.

Een commissie kwam tot de conclusie dat de bom gemaakt moest zijn door een ervaren scheikundige.

Hier kreeg ik mijn Behandelingen. Ik kreeg borstprotheses. Mijn vet werd afgezogen en op andere plekken weer geïnjecteerd. Met de maten die ik had opgegeven werden holle mallen gemaakt voor mijn armen. In mijn onderarmen werden roestvrijstalen spierprotheses geplaatst. Vervolgens moesten mijn armen drie maanden in de gietvorm blijven, terwijl ze werden geïnjecteerd met spierverstevigers en anabolen. Mijn bekken werd gebroken en met stalen pennen uitgerekt. Mijn benen werden in een machine geplaatst. Iedere dag werden mijn benen uitgerekt, zodat ze in de loop van een half jaar vier centimeter langer werden. Botten in mijn voeten werden afgevijld tot een perfecte maat 44. Ik verbleef twee jaar in de kliniek, waar ik voortdurend met morfine onder verdoving werd gehouden.

Na de cosmetische ingrepen moest mezelf blijven injecteren. Als ik zou stoppen zou de schok voor mijn lichaam te groot zijn. Het begon te werken. Mijn lichaam begon te veranderen. Mijn bewegingen werden ongecontroleerd. Alle zenuwbanen en ingesleten hersenprogramma's moesten wennen aan mijn nieuwe lichaam. Ik voelde me alsof ik een nieuwe pubertijd intrad.
Toen begon de pijn. Het waren intense steken door mijn lichaam. Alle spieren over heel mijn lichaam spanden en ontspanden zich in een onregelmatig en onvoorspelbaar patroon. Ik balde mijn handen in vuisten en kon ze niet meer ontspannen. Zwetend lag ik in mijn bed. Er ontstonden onregelmatigheden. Overal op mijn lichaam ontwikkelden zich uitstulpingen. Na een paar dagen bezweken ze en zat mijn lichaam vol blauwe kneuzingen. Op mijn pink zette zich kalk af op de botten en hij werd groter dan mijn middelvinger. Ik kon hem steeds moeilijker buigen, en op een dag bleef hij gewoon recht staan.
Het werd steeds moeilijker me te injecteren. Momenten waarop ik niet beefde werden steeds zeldzamer. De plaatsen waar ik me injecteerde werden keihard. Zelfs met de puntigste naald kon ik niet meer door het littekenweefsel boren.
Het lukte me niet meer mij mijn coctail van middelen toe te dienen. Ik begon te beven en al mijn lichaamsdelen maakten oncontroleerbare schokkerige bewegingen. Al mijn spieren spanden zich. Ik voelde mijn lichaam in een langgerekte beweging uit elkaar barsten. Ik moest de chirurg bellen.

Maar voordat het mij lukte mijn mobiel te pakken raakte ik buiten bewustzijn.

"Dit wordt ons grootste project tot nu toe," zei het Poolse meisje tegen haar zussen. Ze liep rond de assemblagetafel en schikte het mannenlichaam dat op de tafel lag. Het was vastgebonden met leren riemen. De zussen hadden een groene kiel aan. Om hun schoenen droegen ze plastic overschoenen.
Op een kleinere tafel lag een uitdraai van een computer. Het was een menselijk lichaam. Overal stonden maten geschreven. Overal op het lichaam van de man waren donkere lijnen getekend.
"Er moet veel gebeuren," zei de zus. De twee andere vrouwen knikten. Ze liep naar een stellingkast en rommelde in een doos met armen van de bovenste plank. Ze koos uiteindelijk een model 1541, gemaakt in de Teatrzyk Kukiełkowy Fabryka in 1992 door Kirsten Zarszyński. Ze boog de elleboog en de vingers. De pink zat vast. Ze draaide hem heen en weer. De veren in de pink gaven piepend mee. Ze smeerde hem wat met olie. Ze knikte en gaf de arm aan haar zus. Ze deden hun capuchons over hun gezicht en liepen op de assemblagetafel toe. Uit een rek met instrumenten haalde ze een zaag, die ze even heen en weer boog. Er klonk een zangerige toon, die door de schuur weerkaatste. Ze zette de zaag net onder de kop van de bovenarm, net onder de blauwe lijn. Toen begon ze te zagen. De ogen van de man schoten open en uit zijn mond kwam een woordeloze schreeuw.

Ik werd wakker in het donker. Ik moest heel nodig plassen en liep naar de badkamer. In de spiegel zag ik een perfect lichaam. Ik bewoog mijn pink. Hij knakte een beetje. Toen pakte ik een shirt van replay en een gebleekte Chasin' denim en kleedde me aan. Ik maakte het af met een oversized unbuttoned longsleeve shirt van Levi's en een blockscarf. Het stond me perfect.

In mijn perfecte lichaam liep ik naar mijn bureau en pakte de plasmabol. Er kwamen geen bliksems uit.

zaterdag 13 september 2008

Het verhaal van Jonaa

Als haar moeder 's middags beneden op de bank lag te slapen probeerde Jonaa te vliegen. Ze ging aan de rand van het lapjeskleedje staan dat op de vloer van haar slaapkamer lag. Ze stak haar armen omhoog en maakte een sprongetje. Giechelend kwam ze weer neer. Sst.

Langzaam stak ze weer haar armen omhoog tot ze he¬le-maal recht stonden. Zachtjes maakte ze weer een sprong en deed haar armen snel op en neer. Het kleedje gleed een klein stukje over de vloer toen ze neer gekomen was. Bijna giechelde ze weer, maar Jonaa hield snel haar hand voor haar mond.
Ssst.

Toen Jonaa's moeder de volgende dag weer sliep pakte ze haar oranje regenjas en bond hem als een cape om haar schouders. De cappuchon deed ze op. De jas fladderde achter haar aan toen ze trippelend op de trap omhoog liep. Nu ging ze met haar hakken precies aan het einde van het vloerkleedje staan. Haar linkervoet op een blauw lapje en haar rechtervoet op een rood lapje. Ze ging het precies opmeten, tot ze met haar hakken net de koude vloer kon voelen. Ze deed haar armen weer omhoog en zag hoe de regenjas vleugels onder haar maakte, net als een zwaan. Jonaa concentreerde zich en sprong! Toen ze neerkwam keek Jonaa goed en ze dacht dat ze beter had gevlogen dan gisteren.

Op een dag vond Jonaa op straat een plank. Het was een mooie, rode plank. Ze kon het hout nog een beetje zien door de rode verf heen. Jonaa nam de plank mee naar huis. Stilletjes liep ze er de trap mee op naar haar kamer. Ze legde hem tegen het kleedje. Toen Jonaa weer sprong zette met een potlood een streepje op de plank waar haar hakken waren neergekomen.

De weken daarna ging ze door met streepjes zetten waar ze was neergekomen. Ze schreef er de dag bij dat ze gesprongen had. Iedere dag was er wel een sprong die verder was dan alle andere! Ze leerde steeds beter vliegen. Iedere dag sprong ze wel zes keer! Ze moest goed oefenen, vond Jonaa. Ooit zou de dag komen dat ze kon vliegen.

Toen Jonaa de zachtje kraakjes hoorde wist ze dat haar moeder snel wakker zou worden. Ze borg haar regenjas snel op in de kleren mand en kroop diep onder de dekens. Het was donker onder de dekens en de lucht die Jonaa in ademde werd warm. Ze hoorde haar moeder naar boven komen en de deur van haar kamer opendoen.

Pas vijf minuten na dat ze haar moeder weg had horen gaan keek Jonaa op uit de dekens. Ze keek rond. Haar moeder had een glaasje thee neergezet bij haar bed. Twijfelend keek ze nog eens rond, maar er leek niets veranderd aan haar kamer. Toch was het anders, vond Jonaa. Beneden hoorde ze haar moeders voetstappen. Ze leken te bonzen op de vloer. Ze zag de plank en keek naar de streepjes. Misschien, bedacht ze, kon ze ooit uit het raam vliegen als ze genoeg geoefend had.

Dit verhaal heb ik ooit geschreven voor een vriendin